Bekende Personen

Op de oude begraafplaats aan de Diepenveenseweg zijn enkele bekende personen begraven. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld burgemeestersfamilies, maar ook aan andere belangrijke bestuurders en fabrikanten.

Hieronder zijn de namen van deze personen genoemd. Van iedere persoon/familie is een levensbeschrijving toegevoegd.

Door te klikken op de naam van de persoon komt u bij de beschrijving.

Familie Ankersmit
J.W. Birnie
C.A. Brandts Buys
G.I. Bruce
L.A.J. Burgersdijk
Familie Bussink
P. van Calcar
Familie van de Cop
A.J. Duijmaer van Twist
N. Gravelaar
J. H. Halbertsma
J.F. Hoffman
G. en G.W. Korteling
W.F.  Kronenberg
C.A.C. Kruyder
H.R van Marle
Familie Nering Bögel
G. Overesch
C.F. Stellwag
A.J.B. van Suchtelen van de Haare
J. en D.W. de Weerd
Familie Werle

 

Familie Ankersmit [Naar Wandelroute]

In de eerste helft van de 19e eeuw dreef Hendrik Jan Ankersmit (geb. juni 1774, gest. november 1850) een manufacturenhandel in Deventer. Bij de boeren uit de omstreken stonden zijn weefgetouwen, waar wekelijks het product afgehaald en de garens gebracht werden. ‘Achter-de-Muren’was zijn ververij gevestigd. Het doek werd in Twente en Engeland gekocht. De verkoop vond ‘en gros’ en ‘over de toonbank’ plaats. De komst van de stoommachine maakte centralisatie nodig. In 1860 werd het eerste gedeelte van een nieuwe fabriek gebouwd. Als gevolg van de Noord-Amerikaanse burgeroorlog (gebrek aan katoen) kwam de fabriek eerst in 1865 in bedrijf en groeide sindsdien regelmatig. Al gauw werd het buitenland (vooral de tropische gebieden) het voornaamste afzetgebied. Er werd naar gestreefd zoveel mogelijk bewerkingen van het product in eigen fabriek te doen, waardoor een grote veelzijdigheid mogelijk was geworden. In 1902 werd de zaak een Naamloze Vennootschap. Kort daarna werd ook het Katoendrukkerijbedrijf begonnen. Na de oorlog van 1914-1918 kwam de eigen blekerij en de merceriseerderij. De N.V. bezat in 1931 1000 weeftouwen met de daarbij behorende preparerings- en ‘finishing’-machines. Sedert 1926 is de Ankersmit Katoen Fabriek nauw verbonden met de toen gestichte katoenspinnerij "De Zandweerd".

Naar begin van de pagina

 

 

Johan Willem Birnie (1803-1848) [Naar Wandelroute]

De Deventer tapijtfabriek kwam voort uit een werkverschaffingsproject in het kader van de armoede bestrijding. Aanvankelijk, vanaf 1790, werden er dweilen gefabriceerd. In 1779 richtten de heren Birnie (George) en Sauret er een tapijt- en zeildoekfabriek op. Daar werden hoofdzakelijk eenvoudige gonjetapijten gefabriceerd. George Birnie (1775-1830) bepaalde aanvankelijk de koers van het bedrijf, eerst geassisteerd door zijn zoon Gerhard (1799-1820), en na diens overlijden door zijn tweede zoon Johan Willem (1803-1848). Vanaf het begin waren Popko van Calcar en Martinus van Doorninck (1775-1837) als eigenaren van de bedrijfspanden financieel bij de fabriek betrokken: Van Calcar was tevens directeur. Dit duurde tot 1832, toen Johan Willem Birnie eigenaar-directeur werd na Van Calcar te hebben uitgekocht. Het aandeel Van Doorninck was in 1817 al door Van Calcar overgenomen.

Johan Willem Birnie was een geïnspireerd ontwerper. Hij was een gedreven leider van de fabriek met oog voor bedrijfsvernieuwing, sociale zorg en opleiding voor de arbeiders. Zo nam hij in 1838 enige jacquardmachines en de wevers over van de geliquideerde Baarnse tapijtfabriek, ten einde zogenaamde Doornikse en Schotse tapijten te gaan vervaardigen. Als chirurgijn opgeleid, riep hij onder meer fondsen in het leven voor de geneeskundige behandeling en begrafenis van de arbeiders. Tevens stichtte hij een school voor mannelijke en vrouwelijke werklieden onder de 16 jaar. In Nederland genoot de Deventer tapijtfabriek koninklijke bescherming. In 1837 werd het koninklijk predikaat aan de fabriek verleend. Op de tentoonstelling in Deventer in 1842 reikte koning Willem III persoonlijk aan Johan Birnie de versierselen uit van de Orde van de Nederlandse Leeuw. De politieke en economische crisis van 1848 brachten Johan Birnie tot een tragische dood. Tot directeur van de nieuwe naamloze vennootschap werd Willem Frederik Kronenberg (1816-1892) benoemd.

Naar begin van de pagina

 

C.A. Brandts Buys  (1812-1890)

Foto - C.A. Brandts Buys  [Naar Wandelroute] brandtsbuys.jpg (6390 bytes)

Muzieklessen geven – vooral voor de minder gegoede stand -, pianistische hoogstandjes maken tijdens muziek- en zangavonden van de notabelen, dirigeren, organiseren, orgelspelen in de Lebuïnuskerk, het carillon laten klinken boven het geschreeuw van de marktkooplui, in piano’s handelen en in de vrije tijd nog componeren; dat was het drukke leven van ‘de oude Buys’.

Vijftig jaar lang heeft hij een stempel gedrukt op het muziekleven van Deventer. Zijn betekenis is echter niet alleen van lokaal belang. Enkele generaties Nederlanders, zowel binnen als buiten Europa, zijn immers met één van zijn melodieën opgevoed: het ‘marschlied’ ’t Is pligt, dat iedre jongen.

Negen leden van de familie Brandts Buys kozen de muziek als hun beroep: de meesten werden koordirigent of organist. Een van hen, kleinzoon Jan, zou zelfs alleen met componeren in zijn onderhoud voorzien. Hij deed dat vooral met kamermuziek en opera's. Om succes te hebben, moest hij daarvoor wel naar Duitsland en Oostenrijk, waar hij in de meest idyllische oorden vertoefde.

Cornelis Alijander Brandts Buys wordt geboren op 3 april 1812 in Zaltbommel. Zijn vader is daar organist, beiaardier (klokkenist) en muziekleraar. Cornelis krijgt van hem orgel-, piano- en vioollessen. Sinds 1828 neemt hij regelmatig de orgeldiensten waar en in 1834 volgt hij zijn vader op. Per 1 september 1840 wordt hij organist van de Lebuïnuskerk te Deventer. Vrijwel direct daarna begint hij met het organiseren van vocale en instrumentale concerten ten eigen bate, waarin hij als pianosolist optreedt. Vanaf 1845 treedt hij op als dirigent, en in 1851 wordt hij voor vast tot ‘orchestdirecteur’ benoemd, een functie die hij tot 1886 behoudt. Ook als koordirigent is Brandts Buys actief. Van 1841 tot 1873 leidt hij verschillende koren, waarvan onder anderen het Deventer Mannenkoor en het Toonkunstkoor Swellingh.

Op 4 maart 1849 wordt Brandts Buys de eerste directeur van de muziekschool. Hij geeft kinderen uit de lagere standen zang- en theorielessen om ze voor te bereiden op instrumentale lessen ten dienste van het muziekcorps en vanaf 1858 schoolt hij ook de stemmen van volwassenen. In 1886 legt hij alle werkzaamheden aan de muziekschool neer. In hetzelfde jaar 1886 stopt hij met zijn functie van stadsklokkenist, die hij sinds 1853 had bekleed. Organist blijft hij tot aan zijn overlijden op 18 november 1890.

Enkele bekende werken van Brandts Buys zijn:

  • ’t Is pligt, dat iedre jongen
  • Grande mazurka de Concert
  • Hollands Strijdleeuw klieft de wat’ren
  • Die Sonne sinket nieder

Naar begin van de pagina

 

George Isaac Bruce (1803-1850)

 
Bruce.jpg (3723 bytes) [Naar Wandelroute] Foto graf - George Isaac Bruce

Mr. George Bruce is geboren in Deventer op 9 oktober 1803 , zoon van Stewart John Bruce (luitenant generaal) en van Christina Schimmelpenninck.

In 1823 studeerde hij rechten in Leiden en werd daarin in 1827 bevorderd tot doctor, waarna hij in ‘s -Gravenhage ging werken als advocaat. In 1830 was hij tweede luitenant bij de 1ste bat. 1ste afdeling van de Zuid-Hollandsche afdeling. Het jaar daarop werd hij tweede luitenant bij de 3de divisie infanterie en ordonnans-officier van de luitenant-generaal Meijer bij de Tiendaagse veldtocht. Hierna werd hij benoemd tot officier bij de arrondissement rechtbank in Zwolle en werd hij lid van de 2e kamer der Staten-Generaal. In 1845 werd hij voorzitter van de Staten-Generaal, waar hij twee jaar later aftrad om gouverneur van Overijssel te worden. In 1850 werd hij commissaris van de Koningin en in september van dat jaar werd hij benoemd tot Gouverneur-Generaal van Nederlands Indië. Op 30 december 1850, voor zijn vertrek naar Java, overleed hij.

Zijn vrouw Agnesia Schimmelpenninck, geboren op 7 december 1813 in Deventer, overleed op 29 juli 1869. Ze was dochter van Gerrit Schimmelpenninck, wijnhandelaar in Deventer, en van Antonia Catharina Schimmelpenninck. George Bruce en zijn vrouw kregen geen kinderen.

Naar begin van de pagina

 

 

L.A.J. Burgersdijk  (1828-1900)

Foto - L.A.J. Burgersdijk   [Naar Wandelroute] burgersdijk.jpg (4612 bytes)

Dr. L.A.J. Burgersdijk is geboren in het jaar 1828. Tijdens zijn studie bleek al dat hij buitengewoon begaafd en veelzijdig was. Na zijn kandidaatsexamen Medicijnen ging hij, op aanraden van enkele hooggeleerden, over in de Natuurlijke Historie, omdat zij hem als toekomstig hoogleraar zagen. Dit plan mislukte omdat hij te jong werd geacht (24 jaar oud). In plaats daarvan werd hij leraar en al snel hoogleraar aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Omdat hij zich daar niet op zijn plaats voelde, wilde hij overstappen op de zoölogie. Ook dit mislukte.

In 1864, zes jaar na zijn sollicitatie, komt hij in Deventer terecht, waar hij directeur van de HBS werd, maar ook dit bevredigt hem niet. Als er een vacature vrijkomt in Groningen en hij weer solliciteert worden zijn talenten nogmaals niet gezien. Als hij dan in 1876 zijn directeurschap verruilt voor ‘het eenvoudige hoogleraarschap’ aan Gymnasium en HBS, dan is dat omdat hij, zoals hij aan Shakespeare-kenner Loffelt schrijft, in die twaalf jaar maar zo weinig heeft kunnen uitvoeren, aangezien hij almaar moest vergaderen. Bij een volgende brief schreef hij: ‘Noem mij in ’t volgende stuk geen Directeur HBS; ik heb mij er van vrij gemaakt en zou zeker niets aan Shakespeare gedaan hebben als ik ’t gebleven was.’ Het idee om Shakespeare te vertalen was hierbij toch niet zijn vooropgezette doel. Hij zocht iets te doen en koos nu duidelijk voor de literaire richting. Het is duidelijk dat hij Shakespeare primair als toneelschrijver benaderde en het zijn opzet was hem op het Nederlandse toneel opgevoerd te krijgen in een Shakespeare-waardige vorm. Met veel gevoel voor public relations begon hij dan ook al snel een campagne langs meerdere sporen om zich als Shakespeare-vertaler bekend te maken. Dat was niet het enige dat hij deed. Hij zag ook nog tijd zich te verdiepen in het werk van de Griekse treurspeldichter Aeschylus. Ook bleef hij steeds betrokken bij alle stadia van voorbereiding van toneelopvoeringen.

Aan het eind van 1882 heeft hij dertien treurspelen klaar, tien van de veertien blijspelen en twee of drie van de tien historiespelen; bij elkaar dus 25 à 28 van de 37 spelen. De komende drie jaren besteedt hij onder andere aan het vertalen van de andere stukken en op 9 augustus was hij daarmee klaar. In dat jaar deed hij ook weer twee pogingen om verdere carrière te maken. In de jaren na 1887 hield hij zich nog bezig met het perfectioneren van de vertalingen en de verkoop ervan. In 1899, zijn laatste volle levensjaar, gaf Burgersdijk toestemming aan een goedwillend leraar, Aewerdonk geheten, een eigen toneelbewerking te laten drukken van de Koopman van Venetië. Maar toen hij deze bewerking onder ogen kreeg had hij spijt en wilde hij zijn toestemming intrekken. Ook bij de toneeluitgave van Julius Caesar vlotte de samenwerking tussen uitvoerder en Burgersdijk niet; de uitgifte is nooit tot stand gekomen.

Burgersdijk was een man die de kracht en het verlangen had met zijn talenten iets belangrijks tot stand te brengen en, na in diverse richtingen pogingen te hebben zien falen, zich op een gedreven en toch sympathieke wijze een reputatie heeft weten te verwerven die hem letterlijk tot op de dag van vandaag een begrip maakt.

Naar begin van de pagina

 

 

Familie Bussink [Naar Wandelroute]

Het bakken van de wereldberoemde Deventer-koek is een oude ambacht. De oudst vermelde genoemde datum over het bereiden en bakken van dit smakelijk gerecht dateert van 1417. Er waren toen reeds beëdigde zeemers en mengers, en ook de bakkers stonden onder ede, zodat zij de gestelde bepalingen zouden nakomen. De koeken moest men tekenen met het teken van Deventer (adelaar). Herhaaldelijk heeft men in vroeger en later tijd getracht ze na te maken, doch tevergeefs. Aanvankelijk bakte men alleen peperkoeken, naderhand ook kruid- en sukadekoeken. Van de eerste soort wordt vooral in het noorden van het land nog gebruik gemaakt. Het zijn de pietermannetjes, die de naam ontlenen aan de firma Pieterman, welke in 1 juli 1975 overgenomen is door de eigenaar (J.A. Coldewey) van de firma Jacob Bussink. Van de vele koekbakkerijen in Deventer is verreweg de grootste die van de firma Jacob Bussink.

Op 14 augustus 1820 verkocht Gerrit van der Toorn zijn koekbakkerij ‘De Almansgaarding’ aan ‘Jacob Bussink banket- & broodbakker’ wonende te Deventer. De opvolgers van Jacob Bussink zijn B.J. & P.J. Bussink, dan P.J. Bussink alleen, daarna deze samen met J.A. Coldewey, en tenslotte de laatste alleen.

Naar begin van de pagina

 

Van Calcar (1759-1838)  [Naar Wandelroute]

Popko Jans van Calcar, geboren te Groningen op 9 oktober 1759 en gestorven op 23 april 1838 te Deventer. Van Calcar was koopman en suikerraffinadeur in de Noorderbergstraat te Deventer. Hij was lid van de Firma P. van Calcar en M. van Doorninck en Cien., fabrikeurs van "koehaaren" , wollen en katoenen stoffen, later firma P. van Calcar en Cie., Koninklijke Fabriek van Smirnasche en andere tapijten te Deventer. In 1832 werd Van Calcar uitgekocht door Johan Willem Birnie, die hierna eigenaar-directeur werd. Van Calcar was tevens lid van de raad van Deventer.

Naar begin van de pagina

 

Familie van de Cop [Naar Wandelroute]

Tegen het eind van 1827 werd in Nederland op koninklijk besluit het begraven in de kerken verboden. Toen drie jaar later dit besluit daadwerkelijk in werking trad moest het Deventer stadsbestuur maatregelen nemen. Er werden enkele stukken bouwland aangekocht. In 1831 werd de nieuwe Algemene begraafplaats open gesteld

Tot de gene die als eerste een grafruimte op de nieuwe Algemene begraafplaats kocht, behoorde de goud- en zilversmid Jan Willem van de Cop. De familie van de Cop betekende veel voor de bloei van Deventer. Door hun toe doen floreerde de goud en zilverhandel in Deventer en omstreken. De familie van de Cop kocht 3 naast elkaar gelegen ruimten met de bedoeling om een ruime familie graf te kunnen laten maken.

Naar begin van de pagina

 

A.J. Duymaer van Twist  (1809 - 1887)

DvTwist.jpg (2824 bytes)   [Naar Wandelroute] TwistWapen.jpg (7312 bytes)

Twee kwalificaties zijn karakteristiek voor Albertus Jacobus Duymaer van Twist, namelijk die van Deventernaar en van gouverneur-generaal van Nederlands grootste kolonie (de hoogste post die hij in een afwisselende en voorspoedige carrière heeft bereikt).  

Zijn vader Albertus Jacobus (1775-1820) was hoogleraar, eerst in Deventer en later in Groningen. Hij trouwde met Judith van Lochen (1776-1833) en ze kregen samen drie zoons en een dochter, waarvan één jongentje jong was gestorven. De jongste zoon werd geboren op 20 februari 1809 in Deventer en kreeg de naam van vader Albertus Jacobus.
Koos, zoals hij thuis werd genoemd, en broer Jan (1801-1876) kregen hun eerste vorming in Deventer aan de Latijnse school en het Athenaeum Illustre. Jan werd op 24-jarige leeftijd tot hoogleraar aan het Deventer Athenaeum benoemd.

In 1829 behaalde Albertus Jacobus zijn kandidaatsexamen aan het Leidse universiteit en zette daar zijn studie voort. Hij onderbrak in 1831 zijn studietijd om mee te vechten met het jagerskorps van de Leidse studenten tijdens de Tiendaagse Veldtocht. Met promotie beëindigde Koos op 20 oktober 1832 zijn studie, waarna hij meteen weer naar Deventer verhuisde om daar als advocaat bij de rechtbank in dienst te treden.
In 1835 werd hij procureur en 1838 rechter-plaatsvervanger. Albertus Jacobus had een karakteristieke wijze van redeneren: vanuit een bepaald punt ging hij op een voor ieder begrijpelijke wijze, maar met onverbiddelijke logica, naar zijn conclusie.

Naast het beroepsmatige werk zette hij zich in voor de stedelijke gemeenschap: als bestuurslid van het St. Elisabethsgasthuis, lid van de Schoolcommissie en president commissaris van de Rijn- en IJselstoombootmaatschappij. Hij zette zich vooral in voor betere verkeersverbindingen met Deventer, om zo de ontwikkeling van de stad te bevorderen. Tot de beste vrienden van Van Twist behoorde George Isaac Bruce (zie hierboven). Verder was hij bevriend met W.H. Cost Jordens (1799-1875), rechter, politicus en numismaat, financieel specialist en grondig kenner van Deventers geschiedenis en tevens lid van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal voor Overijssel. In juli 1843, toen Duymaer van Twist pas 34 jaar oud was, werd hij door de Overijsselse staten tot lid van de Tweede Kamer gekozen. Zijn speciale interesse ging uit naar financiële zaken. Van Twist wilde geen ministerpost, maar bleef liever in de Kamer, waarvan hij in de zitting 1850-1851 de onpartijdige doch strenge voorzitter was. Belangrijke wetten zijn tot stand gekomen tijdens zijn voorzitterschap. Kort na nieuwjaar 1851 vertrok Duymaer van Twist uit Deventer naar Den Haag, waar hij bij Koninklijk Besluit van 22 januari 1851 werd benoemd tot gouverneur-generaal. In eerste instantie voelde hij zich niet aangetrokken tot deze functie, maar door aandringen van vrienden , zijn verantwoordelijkheidsgevoel voor de publieke zaak en na enkele politieke verwikkelingen gaf hij zich gewonnen.
Op 15 maart vertrok de nieuwe gouverneur-generaal met zijn echtgenote uit Deventer naar Batavia. Op 9 mei kwam hij aan op Batavia en werd plechtig ontvangen en voorgesteld.
Duymaer van Twist was afgemeten en ingetogen, volstrekt rechtvaardig en burgerlijk eenvoudig, wat een grote overgang betekende voor Batavia en Buitenzorg (buitenverblijf van de gouverneur-generaal) die een voorganger kenden die helemaal inging op representatie. Albertus Jacobus vertoefde het liefst op Buitenzorg, waar hij rustig kon werken en genieten van de befaamde Plantentuin.
Van Twists ambtsperiode was voor Indië, voor wat betreft de openbare orde, een rustige tijd. Toen op West Borneo de Chinezen in verzet kwamen tegen het Nederlandse gezag, markeren niet alleen conflicten zijn betrokkenheid bij de buitenbezettingen, maar ook het feit dat hij verschillende reizen maakte om persoonlijk op de hoogte te worden gehouden. Duymaer van Twist stond positief tegenover de uitbreiding van de beoefening van de wetenschappen van Indië en zorgde in 1851 voor de oprichting van een kweekschool voor inlandse onderwijzers te Soerakarta. Zo kwam het ook dat onder zijn bestuur voor het eerst kranten en tijdschriften verschenen op Java.
Aan het eind van zijn loopbaan trok het ontslag van E. Douwes Dekker (Multatuli) als assistent-resident van Lebak grote aandacht. Van Twist handelde strikt rechtvaardig, maar een deel van de publieke opinie zag hem in dit geval als een landvoogd die ongevoelig was. Feiten en stukken wijzen erop dat hij het belang van zowel Douwes Dekker als van het land heeft gediend. Terwijl Douwes Dekker het leven van Albertus Jacobus zuur maakte, gaf Van Twist van tijd tot tijd toch financiële hulp aan hem.
Aan het eind van de traditionele periode van vijf jaar ontving de lichamelijk nogal verzwakte Duymaer van Twist op eigen verzoek bij Koninklijk Besluit van 21 november 1855 eervol ontslag. Hij trad af op 22 mei 1856 en vertok twee dagen later naar Deventer.
Het echtpaar vertok samen met hun zesjarig pleegdochtertje uit Indië. Anna Margaretha Frederika kwam bij de familie toen Christine Louise Penning Nieuwland, echtgenote van hun adjunt Jacob Carel Frederik baron van Heerdt was komen te overlijden. Anna huwde in 1872 de waterbouwkundige Ir. Wilhelmus Francois Leemans.
Rond 1857 liet Van Twist een nieuw huis bouwen op het vervallen landgoed Nieuw Rande te Diepenveen, dat aangekocht was van de familie Slichtenbree.
Na verbetering van zijn gezondheid liet Albertus Jacobus zich overhalen om weer zitting te nemen in de Staten-Generaal: eerst in de Tweede Kamer (1858-1862), daarna nog in de Eerste Kamer (1865-1881). Een herhaalde malen aangeboden ministerschap en het voorzitterschap van de Eerste Kamer weigerde hij.
Veel tijd en aandacht besteedde de oud gouverneur-generaal aan de Maatschappij van Weldadigheid en aan de Nederlandse Mettray.
Hij steunde grote projecten, zoals de aanleg van de spoorlijn Amersfoort-Deventer-Almelo. Verkeersverbeteringen met Deventer was een interesses van oudsher. De lijn werd geopend in zijn sterfjaar, vooral door toedoen van burgemeester H.R. van Marle (zie verderop).
In september 1887 vierden de Van Twists hun gouden huwelijksjubileum met een groot feest. Nog in hetzelfde jaar, op 3 december, overleed Albertus Jacobus Duymaer van Twist. Reeds in 1864 had Van Twist voor zijn familie en hemzelf eigen graven gekocht op de Oude Begraafplaats aan de Diepenveenseweg te Deventer. Op 5 december 1887 werd hij in stille eenvoud begraven. Zijn weduwe leefde nog op Nieuw Rande tot 24 september 1895 en werd bij haar man begraven.

Naar begin van de pagina

 

N. Gravelaar (1851 - 1913)

   gravelaar.jpg (9185 bytes)     [Naar Wandelroute]     gravelaargraf.jpg (5275 bytes)

Nicolaas Lambertus Willem Antonie Gravelaar is geboren op 29 november 1851 en plotseling overleden op 18 februari 1913 te Deventer. In 1878 ging hij lesgeven aan de Rijkskweekschool voor onderwijzers te Deventer. Later is hij ook nog directeur geworden van de Rijkskweekschool. Hier heeft hij 34 jaar lang lesgegeven in rekenen en wiskunde. Gravelaar werd hoog geschat als docent en geleerde, maar hij was ook voor iedereen een goede vriend. Als docent moest hij worden gewaardeerd om zijn helderheid en degelijkheid. Hij verstond de kunst, een onderwerp zo aan te vatten, dat het na de les eigendom was geworden van de aandachtige leerlingen. Als geleerde stond hij zeker nog hoger. Gravelaar heeft in ook nog een leerboek geschreven: " Leerboek der Rekenkunde". De 2e en 3e druk hiervan zijn in te zien in de Stads- en Athenaeumbibliotheek te Deventer.

Naar begin van de pagina

 

Joost Hiddes Halbertsma (1789 - 1869)

halbertsmaportret.jpg (4794 bytes)  [Naar Wandelroute] Halbertsma.jpg (7582 bytes)

Joost Hiddes Halbertsma werd op 23 oktober 1789 te Grouw geboren als zoon van Hidde Halbertsma en Ruurdje Tjallings Binnerts. Hij trouwde op 10 mei 1816 met Johanna Iskje Hoekema uit Workum en stierf op 27 februari 1869 te Deventer.

Van 1807 tot 1813 studeerde Halbertsma aan de Doopsgezinden Kweekschool te Amsterdam en het Athenaeum Illustre, waar hij zich verdiepte in theologie en Noordse talen. In de periode van 1814 tot 1821 was hij predikant in Bolsward, waar hij al van zich deed spreken.
Toen Halbertsma in 1822 naar Deventer vertrok, besefte hij zich dat hij zich meer literator en geleerde dan predikant voelde. Hij liet dan ook in 1822 zijn eerste Friese geschrift drukken. Hierdoor werd hem verzocht een rede te houden in 1823 bij de grote Friese Gysbert Japicx-herdenking en kwam zo in aanraking met de Leidse Maatschappij van Letterkunde. Door Halbertsma’s brede belangstelling deed hij in 1853 een voorstel aan de Gedeputeerde Staten van Friesland voor de oprichting van een ‘Kabinet van Oudheden’ dat in 1855 tot stand werd gebracht. Zijn eigen verzameling Friese oudheden vormde de basis van dit kabinet. Halbertsma ontwikkelde zich tevens tot de grootste Nederlandse dialectkundige uit de eerste helft van de negentiende eeuw.
Het viel Halbertsma zeer zwaar toen hij in 1830 niet in aanraking kwam voor een professoraat aan het Deventer Athenaeum. Ook elders gingen benoemingen aan hem voorbij, dit kwam doordat hij een opvliegend karakter en een scherpe pen had.
Met P.C. Molhuysen werd hij in 1836 redacteur van de ‘Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren’, waarin Halbertsma ook schreef.

In 1843 verscheen het enige boek dat direct met zijn ambt van doen had: ‘De doopsgezinden en hunne herkomst’. Dit boek gaat vooral over Halbertsma’s bedenkingen over de toen opkomende orthodoxe stroming en fungeerde als waarschuwing aan jonge doopsgezinde predikanten. Dit werd niet in dank afgenomen en toen Halbertsma op 12 januari 1856 zijn pensioen aanvroeg, nam de kerkenraad dit verzoek maar al te graag aan en zo nam hij op 26 oktober 1856 afscheid.
Op een bovenwoning in Deventer bracht hij zijn tijd al schrijvend door en raakte steeds meer vereenzaamd. Zijn buitenlandse contacten bleven intact en in 1858 vertaalde hij op verzoek van prins Louis Lucien Bonaparte het Evangelie naar Mattheus in het Fries. Halbertsma heeft nooit echt in Deventer kunnen aarden. Doordat hij voor een lange tijd in Friesland had moeten verblijven, bleef hij een romantische hunkering houden naar zijn geboorteland. In 1865 schonk Halbertsma het grootste gedeelte van zijn uitgebreide bibliotheek aan de Provincie.
Toen hij op 17 februari 1869 1000 kolommen van het Friesch woordenboek had laten drukken bezweek Halbertsma. Zijn invloed is uitermate groot geweest, voor de Friese cultuur van onschatbare waarde. Zijn directe woordkeus, van pittig tot sarcastisch, houdt zijn werk nog steeds fris en oorspronkelijk.

Naar begin van de pagina

 

J.F. Hoffman  (1813 - 1841) [Naar Wandelroute]

Johan Frederik Hoffman werd in Gouda geboren op 13 maart 1813 en was zoon van de Heer M.F. Hoffman en Mevr. H.F.A. Gronovius. Johan F. Hoffman werd met goede zorg opgevoed. Vanaf zijn achtste jaar tot en met zijn vijftiende jaar studeerde hij aan het instituut Noordhei van de heer de Raadt.
In september 1829 begon hij natuurkundige wetenschappen te bestuderen aan de hogeschool te Leiden. De studie onderbrak hij voor een jaar om mee te vechten met jonge Hollandse strijders tegen de afscheiding van België met Nederland. In 1831 hervatte hij zijn studie, waarbij de materie 'kruidkunde' zijn meest geliefde materie zou worden. I september 1838 ging hij op studiereis naar het buitenland en bleef bij verschillende hoogleraren in de botanie, met wie hij in contact kwam, enige tijd werken.
Na zijn studie te Leiden promoveerde J.F. Hoffman tot dr med. op een dissertatie over de geneeskundige geografie van Spanje op 28 april 1938. Botanie was zijn liefste studie; voor zijn promotie had hij al enkele mededelingen over botanische onderwerpen gepubliceerd.
Aan het Deventer Athenaem Illustre werd in 1839 een nieuwe leerstoel voor chemie en botanie opgericht. Tot hoogleraar werd benoemd Dr Johan Frederik Hoffman. Van tevoren moest hij zich nog grondig inwerken in de chemie.
Op 30 september 1840 begon hij zijn botanische colleges en korte later de chemische. Hij gaf per week chemie, anatomie en fysiologie der planten 4 uur, met microscopische waarnemingen door de studenten. Verder 3 uur plantensystematiek. En bij goed weer werden botanische excursies gehouden. Tot het houden van een inaugurele rede is het niet meer gekomen. Begin 1841 werd hij ziek en overleed aan een hersenbloeding op 11 juli 1841. Zijn herbaria werden door zijn vader als aandenken geschonken aan het Athenaeum te Deventer.

Naar begin van de pagina

 

G. Korteling (1809 - 1888)
G.W. Korteling (1886 - 1912) 
[Naar Wandelroute]

De Beoefening van de schilderkunst heeft zich in het geslacht Korteling meer dan een eeuw voortgezet.
Gerard Korteling geboren te Deventer op 7 januari 1809 en overleden te Deventer op 29 september 1888 was de eerste schilder van deze naam. Hij kreeg enige tijd les van de bekende Schilder L. Meyer. Hierna begon hij een huis- en rijtuig schildersbedrijf. Hij bleef ook als schilder erg actief. Hierdoor won hij de grote zilveren medaille van de Deventer school 'Teken-Academie'.
De meeste werken die hij schilderde waren enkele stadsgezichten en een aantal verdienstelijke stillevens.
Zijn zoon Bartus Korteling (1853 - 1930) is ongetwijfeld de meest talentvolle schilderende Korteling geweest. Door zelfstudie, veel aanleg en het volgen van uitstekend onderwijs, behaalde Bartus op twintigjarige leeftijd de akte M.O. tekenen. Hierna drukte hij een stempel op meer dan één generatie tekenende en schilderende Deventernaren. Hij schilderde en tekende vooral stillevens, landschappen en prachtige kinderportretten. Enkele vooraanstaande schilders moedigden hem aan om naar het westen van het land te komen. Hij besloot echter in Deventer te blijven, waarna hij overwegend les gaf.
Zoon van Bartus, Willem Korteling (1839 -1964) bezocht na de lagere school, waar hij zijn tekentalent al onmiskenbaar manifesteerde, de Deventer H.B.S. Daar kreeg hij les van zijn vader Bartus. Men beschouwde hem als een wonderkind hetgeen hem persoonlijk weinig deed. Hij schilderde vooral kippen, stillevens en landschappen op een buitgewone wijze en bijna altijd in en om Deventer.
Gerard Willem Korteling (1886- 1912) zoon van Willem bleek ook aanleg voor de teken- en schilderkunst te hebben. Hij bezocht de Avondtekenschool waar hij in de hoogste klas les kreeg van zijn opa Bartus. Zijn laatste werk schilderde hij, staande in de sneeuw, aan het Overijssels Kanaal. Korte tijd later overleed hij op 29-jarige leeftijd.

Naar begin van de pagina

 

Willem Frederik Kronenberg (1816 - 1892) [Naar Wandelroute]

Werd op 17 november 1816 te Deventer geboren uit het huwelijk van Reinier Kronenberg en van Elechijn Mees.
W.F. Kronenberg overleed, ongehuwd, op 27 augustus 1892 te Deventer.

Na het overlijden van de toenmalige directeur J.W. Birnie in maart van het jaar 1848 en de Deventer tapijtfabriek in een naamloze vennootschap omgezet was, werd W.F. Kronenberg tot directeur benoemd. Hij had reeds ervaring met de fabriek door voorheen samen met zijn vader in de wolhandel zaken met ze te hebben gedaan. De statuten van de nieuwe vennootschap werden op 28 augustus 1848 Door Zijne Majesteit Koning Willem III bekrachtigd. In de 44 jaren die hij aan het hoofd van de fabriek gestaan heeft, is onder zijn leiding de fabriek tot grote bloei gekomen en het fabrikaat tot een zeer goede hoogte opgevoerd. Dit gebeurde vooral na 1850, toen de vraag naar luxe-tapijten en gewone vloerkleden groter werd. Verder bezat hij een bijzonder gave om zich bij rijk en arm bemind te maken, hij leefde met zijn mensen mee.
De verdienstelijken en bekwaamheid na deze 44 jaren van W.F. Kronenberg werden door Koning Willem de III met de Nederlandsche Leeuw beloond.

Naar begin van de pagina

 

C.A.C. Kruyder (1825 - 1910)

kruyder.jpg (8977 bytes) [Naar Wandelroute] kruydergraf.jpg (5072 bytes)

Clarus Anne Cornelis Kruyder werd in april 1825 geboren te Utrecht en de datum van zijn overlijden is rond 28 maart 1910. In 1876 werd bij de behandeling van de Staatsbegroting besloten dat er drie nieuwe kweekscholen zouden komen waarvan er één in Deventer zou komen te staan. Tot één van de leraren van de Rijkskweekschool voor onderwijzers werd C.A.C. Kruyder benoemd, die tot die tijd nog hoofd van een openbare school was te Zwolle. Op 1 september 1880 werd Kruyder benoemd tot directeur van de Rijkskweekschool.

Eén van de laatste wensen van Kruyder voor zijn overlijden was dat er niet gesproken werd tijdens zijn begrafenis en deze wens is geëerbiedigd. Leerlingen van de Rijkskweekschool bezochten eenmaal per jaar de graven van hun overleden directeuren. Tijdens één van deze bezoeken zei de heer Th. J. Bosman bij Kruyder zijn graf: "Wij verwijlen eenige ogenblikken bij dit gedenkteeken op uw rustplaats, dat in zijn steenen vastheid en degelijkheid het zinnebeeld mag heeten van de ongerept voortlevende heugenis aan uw persoon. De lauwertak op dit monument symboliseert ook voor hen die u niet kenden, uw welverdiende roem".

Naar begin van de pagina

 

Hendrik Rudolf van Marle (1832 - 1906) [Naar Wandelroute]

De laatsts burgemeester die geboren en getogen Deventernaar was, was Hendrik Rudo;f van Marle, burgemeester van 1865 tot 1882. Hij werd geboren op 30 December 1832 en was de zoon van de Deventer notaris mr. Hendrik Willem van Marle en Carolina Erestina Visser. Hij trouwde in 1859 met Henrica Judith Werndly (1834-1905) en zij kregen vijf kinderen.
Na aan het Deventer athenaeum en aan de hogeschool te Leiden en Utrecht gestudeerd te hebben, werd hij in 1858 benoemd tot substituut griffier bij de arrondissement- rechtbank te Deventer. Op 4 mei 1865 werd hij benoemd tot burgemeester van Deventer, welk ambt hij tot 29 Oct. 1882 bekleedde. Hierna was hij kantonrechter tot 1895. Tevens was van 1873-1886 lid van de Provinciale Staten van Overijssel en van 1886-1901 lid van de Eerste Kamer der StatenGeneraal. Hij overleed op 27 mei 1906.

Naar begin van de pagina

 

 

Familie Nering Bögel

Foto - Willem F. Nering Bogel (W.F. Nering Bogel) Foto graf - Willem F. Nering Bogel
[Naar Wandelroute]
De IJzergieterij van Nering Bögel

In 1826 kochten H.A. Nederburgh, rechter in Zutphen, en zijn schoonzoon, Johan Laurents Nering Bögel, de ijzergieterij in Deventer. Deze laatste kende het vak, omdat er al een aantal geslachten Nering Bögel ijzergieters waren geweest. Zijn overgrootvader Johan Hendrik Bögel, kwam als eerste met gietijzer in aanraking. Als één van de oprichters van de ijzermolen in het Gelderse Ulft voerde hij daar enige jaren het beleid. De vader van Johan Laurents heeft later ook daarbij een ijzergieterij opgezet in het Duitse Isselburg.

Johan Laurents Nering Bögel werd bedrijfsleider in Deventer en pakte de zaken groots aan. Al spoedig, in 1829, kwam er een stoommachine, de eerste in Deventer, en werden luchtpompen in plaats van blaasbalgen bij de ovens geplaatst. Zo werden ook andere moderniseringen uitgevoerd door Johan Laurents.

De ijzergieterij werd hierdoor tien jaar na de overname tot de grootste van ons land gerekend. De eigenaars zetten de productie van siergietwerk als hekken, monumenten, lantaarns en kandelaars op naar Duits voorbeeld. In Nederland was Nering Bögel jarenlang de enige producent daarvan. De afzet van het bedrijf bleef niet alleen tot ons land beperkt, want ook in Nederlands-Indië kreeg Nering Bögel voet aan de grond. De vele contacten tussen Deventer en dat rijksdeel hebben daarbij zeker een rol gespeeld.

Rond de eeuwwisseling produceerde men naast potten, dakgoten, papiercilinders, hydraulische persen, roosterstaven, spoorwielen en wissels ook stoommachines, papiermachines en strokokers voor de kartonfabricage. Daarnaast bleef het sierwerk in de productie. Het belangrijkste voorbeeld in Deventer is de Wilhelminafontein op de Brink uit 1898. Na 1900 ging het aanvankelijk nog erg goed met het tot N.V. Deventer IJzergieterij en Machinefabriek omgedoopte bedrijf. Helaas ging het tijdens de crisisjaren achteruit en in 1932 moest het bedrijf zijn deuren definitief sluiten.

 De familie Nering Bögel

Johan Hendrik (eerste helft 18e eeuw)

Conrad Laurents (eerste helft 18e eeuw)

Johan Frederik (1755-1817)

Johan Laurents (1795-1865)

                                                                                                        
Johan Frederik (1821-1895)                                                         Willem Frederik (1838-1904)
                                                                                                                                                  
Johan Laurents jr. (1856-1926)                                                   Johan Frederik jr. (1874-1909)

Naar begin van de pagina

 

 

Gerard Overesch (1787-1843) [Naar Wandelroute]

Gerard Overesch werd op 26 maart 1787 te Raalte geboren uit een talrijk gezin en overleed op 18 december 1843 te Deventer. Op zijn twintigste jaar besloot hij priester te worden en maakte daarvoor zijn studies te Vreden en kwam 26 september 1812 op het seminarie te ’s-Heerenberg. Nadat hij daar met groot succes zijn theologische studiën had volbracht, werd hij als kapelaan naar Deventer gezonden. Maar al het volgende jaar werd hij tot het hoogleraarsambt in de dogmatische theologie aan het seminarie te ’s-Heerenberg geroepen. Zijn duidelijkheid en grondigheid van onderwijs werd geprezen en het is ten onrechte, dat hij van rationalisme werd beschuldigd. Door de dreigende sluiting door de regering van de seminaries, werden de professoren bij opkomende parochies reeds als pastoor benoemd. Zo werd ook Overesch na de dood van pastoor Muller benoemd tot pastoor te Deventer. Maar voorlopig nam een deservitor zijn plaats in Deventer in, zodat de lessen aan het seminarie door konden gaan. In september 1828 werd het seminarie gesloten. Ongeveer midden 1829 kwam Overesch naar Deventer, waar hij spoedig bij zijn parochianen in hoog aanzienstond wegens zijn medeleven in alles en om zijn grote goedaardigheid. Hij stichtte hier een inrichting voor wezen.

Naar begin van de pagina

 

 

Christoph Friedrich Stellwag (1845 - 1906)

stellwag.jpg (3457 bytes) [Naar Wandelroute]

Christoph Friedrich werd op 6 september 1845 geboren in Deventer en overleed daar op 3 januari 1906. Hij werd Luthers predikant te Doetinchem op 12 maart 1871, te Weesp op 9 mei 1875, te Leeuwarden op 7 januari 1883 en te Deventer op 2 mei 1886. Hij schreef in Stemmen uit de Lutherse kerk in Nederland V, 139-158 en 216-229: De geschiedenis van de Stichting van de Lutherse gemeente te Deventer, en gaf uit: Feestrede, uitgesproken bij de gedachtenisviering van het 250-jarig bestaan van de Evangelische Lutherse gemeente Deventer op 16 juli 1899.

Naar begin van de pagina

 

 

Arnold Jan Bernard van Suchtelen van de Haare (1770 - 1849)

SuchtelenWapen.jpg (3720 bytes) [Naar Wandelroute]

Arnold Jan Bernard van Suchtelen, heer van de Haare, werd op 30 oktober 1770 geboren te Olst als zoon van Jan van Suchtelen, heer van de Haare, schepen en raad van Deventer, en van Josina Cecillia van Buren. Hij behoorde tot een belangrijke Deventer regentenfamilie.

A.J.B. van Suchtelen trouwde op 22 september 1793 in Den Haag met Antonia Henrietta van Buren. Zij overleed daar echter op 4 januari 1795. Hij trad op 10 juli 1796 opnieuw in het huwelijk met Maria Sara van Oyen. Maria Sara overleed op 24 mei 1826 op huis de Haere in Olst. Zij kregen samen 12 kinderen.

In 1792 werd Van Suchtelen voor het eerst gemeenslid van de Assenstraat in Deventer.
Van 3 februari 1808 tot 26 juli 1811 was Van Suchtelen adjunct-maire (wethouder) van de stad Deventer. Tijdens het beleg van Deventer van 1813-1814 speelde hij een belangrijke rol bij de onderhandelingen tussen de leiding van de Franse bezettingsmacht en de vertegenwoordigers van de Nederlandse regering.
Het burgemeesterschap van Deventer was naast het lidmaatschap van de Tweede Kamer van 1815-1835 de belangrijkste openbare functie bekleed door Van Suchtelen. Eerst werd hij benoemd tot president-burgemeester op 14 december 1815 naast drie andere burgemeesters. Op 28 februari 1824 werd Van Suchtelen bij Koninklijk Besluit benoemd tot enige burgemeester als gevolg van de invoering van een nieuw reglement voor de besturen in de provincie. Van Suchtelen diende op 25 maart 1829 een verzoek tot eervol ontslag in bij koning Willem I. De reden van dit besluit is onduidelijk. Bij Koninklijk Besluit van 17 mei 1829 kreeg Van Suchtelen zijn eervol ontslag. Van de koning kreeg hij één jaar een bedrag van 1400 gulden uitgekeerd, die hem een jaar daarvoor al een jaarlijkse toelage van 500 gulden had gegeven.

Na zijn ontslag als burgemeester van Deventer gingen twee zaken het leven van Van Suchtelen beheersen. De ene zaak was een ruzie met de gouverneur van Overijssel, die hem van onbehoorlijk bestuur betichtte. De andere zaak was het probleem om voor zichzelf een geschikte bestuursfunctie te vinden. Bovendien voelde Van Suchtelen zich verantwoordelijk voor de niet zo voorspoedig lopende carrières van zijn zonen. Hij probeerde promoties van zijn kinderen te krijgen door de hoogste kringen te benaderen.

Tussen de gouverneur van Overijssel, graaf B.H. Bentinck tot Buckhorst en Van Suchtelen ontstond tussen 1829-1830 een hooglopende ruzie. A.J.B. van Suchtelen voelde zich door Bentinck in zijn eer en goede naam aangetast en wendde zich tot koning Willem I voor genoegdoening, die hij ook kreeg op 11 mei 1830.
In september 1830 bood Van Suchtelen zijn diensten aan bij de koning. Hij kreeg te horen dat hij voor een functie zich moest wenden tot de gouverneur van zijn provincie en dat was uitgerekend graaf Bentinck! Begin januari 1832 solliciteerde Van Suchtelen bij de koning en bij de minister van Financiën naar het opperhoutvesterschap, tevergeefs. Van Suchtelen maakte de koning ook nog attent op een vacante post van gouverneur van Drenthe, maar in een brief van 17 april 1832 werd hem gemeld dat een hoge ambtenaar van Binnenlandse Zaken deze post toegewezen had gekregen.

Zijn eigen afwijzingen plus de tegenwerkingen die zijn zonen volgens hem in hun carrières ondervonden, zag Van Suchtelen als een complot tegen zijn familie. Zijn voortdurend klagen leidde uiteindelijk tot bevorderingen van zijn zonen.
Op 28 september 1832 werd Van Suchtelen zelf (waarschijnlijk om van hem af te zijn) bij Koninklijk Besluit benoemd tot Staatsraad in buitengewone dienst.
Op 4 december 1835 besloot de koning nogmaals om hem wachtgeld te geven in afwachting van een geschikte post. Uitkering van het wachtgeld werd eerst gehalveerd en waarschijnlijk in 1844 geheel stopgezet. Op 30 december 1844 kreeg Van Suchtelen te horen dat hij van koning Willem II een pensioen kreeg van 15 gulden per jaar.
A.J.B. Van Suchtelen van de Haare overleed in Zwolle op 21 januari 1849.

Naar begin van de pagina

 

 

Johanna en Derkje Wilhelmina de Weerd (1802-1863 en 1807-1879)
[Naar Wandelroute]

Johanna de Weerd is op 25 maart 1802 geboren te Deventer en ook daar gestorven op 3 juni 1863. Derkje Wilhelmina de Weerd is geboren te Deventer op 2 september 1807 en te Deventer gestorven op 19 november 1879. Ze waren de dochters van Willem de Weerd en Hendrina van Marle. In 1863 werd het aantal liefdadigheidsinstellingen vermeerderd met Het De Weerds-Gesticht, gelegen op Pothoofd nummer 7. Dit kwam tot stand door de beschikking van de gezusters De Weerd. In 1881 werd een geheel nieuwe gebouw op het Pothoofd opgericht en de organisatie definitief geregeld. Het gebouw werd echter op 26 november 1944 gebombardeerd. In de loop van de jaren 1882 werd het geheel bezet; 24 ‘éénlopende personen’ en echtparen vinden er onderkomen. Het gesticht is bestemd tot het verlenen van huisvesting aan behoeftige en bejaarde schippers met hun vrouwen of schippersweduwen. Onder schippers worden ook vooral zeelieden verstaan. Bij gebreke hiervan of waneer aangemelden niet in aanmerking konden komen voor plaatsing, werden ook behoeftige sjouwerlieden of zogenaamde rivierloodsen met hun vrouwen of weduwen opgenomen. De te plaatsen personen mochten geen kinderen tot hun last hebben en niet behoren tot de Israëlitische gezindte of kerkgenootschap horen. Om voor plaatsing in aanmerking te komen moest de aanvrager voldoen aan de volgende voorwaarden: 1. Men moest minstens 62 jaar zijn, 2. Van goed zedelijk gedrag zijn, 3. Behoorlijk voorzien zijn van huisraad en beddegoed, 4. Zich zindelijk en behoorlijk kleden en 5. Per persoon een bedrag van f 15,- betalen aan entreegeld. Men kreeg dan de beschikking over een vrije woning, f 4,- per week voor man en vrouw samen en f 3,- voor een man of vrouw alleen.

Naar begin van de pagina

 

 

Werle & Zoon [Naar Wandelroute]

Groothandel in staf- en plaatijzer, gaspijpen en fittings, metalen, ijzerwaren, machines en sanitaire artikelen.

De onderneming werd gevestigd op 21 januari 1826 en is dus één van de oudste op haar gebied. De firma droeg toen de naam J.S. Werle en werd beheerd door de zoon van J.S. Werle, J.H. Werle (geboren te Rotterdam op 17 augustus 1809 en overleden te Deventer op 25 november 1883). Op 1 januari 1861 werd door J.H. Werle en diens zoon J.S. Werle (geboren te Rotterdam op 13 augustus 1837) een vennootschap aangegaan onder de naam fa. Werle & Zoon. Bij onderhandse akte van 12 april 1871 werd deze vennootschap ontbonden en werd de onderneming alleen door J.S. Werle voortgezet. Deze overleed in Deventer op 20 oktober 1906 en de zaak ging toen over op diens zoon W. Werle (geboren te Deventer op 15 april 1876). Op 1 januari 1930 werd de zaak omgezet in een commanditaire vennootschap, waarvan W. Werle commanditair- en zijn zoon J.S. Werle (geboren op 8 juli 1902) beherend vennoot werd. De magazijnen bevonden zich bij oprichting in de Mensstraat, terwijl men later naar de Rijkmanstraat is overgegaan, waar toen diverse pakhuizen aan de Haven en ‘Achter-de-Muren’ aan toegevoegd werden. Tevens was er gedurende enige jaren een filiaal te Duisberg. In 1890, bij de ontmanteling van de vesting Deventer, werden op de plaats van de vroegere wallen de nieuwe magazijnen gebouwd (Handelskade), terwijl door voortdurende uitbreiding van zaken in 1908, 1913 en 1931 verbouwingen noodzakelijk bleken. Speciaal door de laatste aanwinst in magazijnruimte, werd de firma in staat gesteld het aantal van haar artikelen aanzienlijk uit te breiden, zodat zij met de eerste firma’s op haar gebied kon wedijveren.

Naar begin van de pagina