| Op de oude begraafplaats aan de
Diepenveenseweg zijn enkele bekende personen begraven. Hierbij kan gedacht worden aan
bijvoorbeeld burgemeestersfamilies, maar ook aan andere belangrijke bestuurders en
fabrikanten. Hieronder zijn de namen van deze personen genoemd. Van iedere persoon/familie is een levensbeschrijving toegevoegd. Door te klikken op de naam van de persoon komt u bij de beschrijving. Familie Ankersmit
Familie Ankersmit [Naar Wandelroute] In de eerste helft van de 19e eeuw dreef Hendrik Jan Ankersmit (geb. juni 1774, gest. november 1850) een manufacturenhandel in Deventer. Bij de boeren uit de omstreken stonden zijn weefgetouwen, waar wekelijks het product afgehaald en de garens gebracht werden. Achter-de-Murenwas zijn ververij gevestigd. Het doek werd in Twente en Engeland gekocht. De verkoop vond en gros en over de toonbank plaats. De komst van de stoommachine maakte centralisatie nodig. In 1860 werd het eerste gedeelte van een nieuwe fabriek gebouwd. Als gevolg van de Noord-Amerikaanse burgeroorlog (gebrek aan katoen) kwam de fabriek eerst in 1865 in bedrijf en groeide sindsdien regelmatig. Al gauw werd het buitenland (vooral de tropische gebieden) het voornaamste afzetgebied. Er werd naar gestreefd zoveel mogelijk bewerkingen van het product in eigen fabriek te doen, waardoor een grote veelzijdigheid mogelijk was geworden. In 1902 werd de zaak een Naamloze Vennootschap. Kort daarna werd ook het Katoendrukkerijbedrijf begonnen. Na de oorlog van 1914-1918 kwam de eigen blekerij en de merceriseerderij. De N.V. bezat in 1931 1000 weeftouwen met de daarbij behorende preparerings- en finishing-machines. Sedert 1926 is de Ankersmit Katoen Fabriek nauw verbonden met de toen gestichte katoenspinnerij "De Zandweerd".
Johan Willem Birnie (1803-1848) [Naar Wandelroute] De Deventer tapijtfabriek kwam voort uit een werkverschaffingsproject in het kader van de armoede bestrijding. Aanvankelijk, vanaf 1790, werden er dweilen gefabriceerd. In 1779 richtten de heren Birnie (George) en Sauret er een tapijt- en zeildoekfabriek op. Daar werden hoofdzakelijk eenvoudige gonjetapijten gefabriceerd. George Birnie (1775-1830) bepaalde aanvankelijk de koers van het bedrijf, eerst geassisteerd door zijn zoon Gerhard (1799-1820), en na diens overlijden door zijn tweede zoon Johan Willem (1803-1848). Vanaf het begin waren Popko van Calcar en Martinus van Doorninck (1775-1837) als eigenaren van de bedrijfspanden financieel bij de fabriek betrokken: Van Calcar was tevens directeur. Dit duurde tot 1832, toen Johan Willem Birnie eigenaar-directeur werd na Van Calcar te hebben uitgekocht. Het aandeel Van Doorninck was in 1817 al door Van Calcar overgenomen. Johan Willem Birnie was een geïnspireerd ontwerper. Hij was een gedreven leider van de fabriek met oog voor bedrijfsvernieuwing, sociale zorg en opleiding voor de arbeiders. Zo nam hij in 1838 enige jacquardmachines en de wevers over van de geliquideerde Baarnse tapijtfabriek, ten einde zogenaamde Doornikse en Schotse tapijten te gaan vervaardigen. Als chirurgijn opgeleid, riep hij onder meer fondsen in het leven voor de geneeskundige behandeling en begrafenis van de arbeiders. Tevens stichtte hij een school voor mannelijke en vrouwelijke werklieden onder de 16 jaar. In Nederland genoot de Deventer tapijtfabriek koninklijke bescherming. In 1837 werd het koninklijk predikaat aan de fabriek verleend. Op de tentoonstelling in Deventer in 1842 reikte koning Willem III persoonlijk aan Johan Birnie de versierselen uit van de Orde van de Nederlandse Leeuw. De politieke en economische crisis van 1848 brachten Johan Birnie tot een tragische dood. Tot directeur van de nieuwe naamloze vennootschap werd Willem Frederik Kronenberg (1816-1892) benoemd.
Muzieklessen geven vooral voor de minder gegoede stand -, pianistische hoogstandjes maken tijdens muziek- en zangavonden van de notabelen, dirigeren, organiseren, orgelspelen in de Lebuïnuskerk, het carillon laten klinken boven het geschreeuw van de marktkooplui, in pianos handelen en in de vrije tijd nog componeren; dat was het drukke leven van de oude Buys. Vijftig jaar lang heeft hij een stempel gedrukt op het muziekleven van Deventer. Zijn betekenis is echter niet alleen van lokaal belang. Enkele generaties Nederlanders, zowel binnen als buiten Europa, zijn immers met één van zijn melodieën opgevoed: het marschlied t Is pligt, dat iedre jongen. Negen leden van de familie Brandts Buys kozen de muziek als hun beroep: de meesten werden koordirigent of organist. Een van hen, kleinzoon Jan, zou zelfs alleen met componeren in zijn onderhoud voorzien. Hij deed dat vooral met kamermuziek en opera's. Om succes te hebben, moest hij daarvoor wel naar Duitsland en Oostenrijk, waar hij in de meest idyllische oorden vertoefde. Cornelis Alijander Brandts Buys wordt geboren op 3 april 1812 in Zaltbommel. Zijn vader is daar organist, beiaardier (klokkenist) en muziekleraar. Cornelis krijgt van hem orgel-, piano- en vioollessen. Sinds 1828 neemt hij regelmatig de orgeldiensten waar en in 1834 volgt hij zijn vader op. Per 1 september 1840 wordt hij organist van de Lebuïnuskerk te Deventer. Vrijwel direct daarna begint hij met het organiseren van vocale en instrumentale concerten ten eigen bate, waarin hij als pianosolist optreedt. Vanaf 1845 treedt hij op als dirigent, en in 1851 wordt hij voor vast tot orchestdirecteur benoemd, een functie die hij tot 1886 behoudt. Ook als koordirigent is Brandts Buys actief. Van 1841 tot 1873 leidt hij verschillende koren, waarvan onder anderen het Deventer Mannenkoor en het Toonkunstkoor Swellingh. Op 4 maart 1849 wordt Brandts Buys de eerste directeur van de muziekschool. Hij geeft kinderen uit de lagere standen zang- en theorielessen om ze voor te bereiden op instrumentale lessen ten dienste van het muziekcorps en vanaf 1858 schoolt hij ook de stemmen van volwassenen. In 1886 legt hij alle werkzaamheden aan de muziekschool neer. In hetzelfde jaar 1886 stopt hij met zijn functie van stadsklokkenist, die hij sinds 1853 had bekleed. Organist blijft hij tot aan zijn overlijden op 18 november 1890. Enkele bekende werken van Brandts Buys zijn:
George
Isaac Bruce (1803-1850) Mr. George Bruce is geboren in Deventer op 9 oktober 1803 , zoon van Stewart John Bruce (luitenant generaal) en van Christina Schimmelpenninck. In 1823 studeerde hij rechten in Leiden en werd daarin in 1827 bevorderd tot doctor, waarna hij in s -Gravenhage ging werken als advocaat. In 1830 was hij tweede luitenant bij de 1ste bat. 1ste afdeling van de Zuid-Hollandsche afdeling. Het jaar daarop werd hij tweede luitenant bij de 3de divisie infanterie en ordonnans-officier van de luitenant-generaal Meijer bij de Tiendaagse veldtocht. Hierna werd hij benoemd tot officier bij de arrondissement rechtbank in Zwolle en werd hij lid van de 2e kamer der Staten-Generaal. In 1845 werd hij voorzitter van de Staten-Generaal, waar hij twee jaar later aftrad om gouverneur van Overijssel te worden. In 1850 werd hij commissaris van de Koningin en in september van dat jaar werd hij benoemd tot Gouverneur-Generaal van Nederlands Indië. Op 30 december 1850, voor zijn vertrek naar Java, overleed hij. Zijn vrouw Agnesia Schimmelpenninck, geboren op 7 december 1813 in Deventer, overleed op 29 juli 1869. Ze was dochter van Gerrit Schimmelpenninck, wijnhandelaar in Deventer, en van Antonia Catharina Schimmelpenninck. George Bruce en zijn vrouw kregen geen kinderen.
L.A.J. Burgersdijk (1828-1900) Dr. L.A.J. Burgersdijk is geboren in het jaar 1828.
Tijdens zijn studie bleek al dat hij buitengewoon begaafd en veelzijdig was. Na zijn
kandidaatsexamen Medicijnen ging hij, op aanraden van enkele hooggeleerden, over in de
Natuurlijke Historie, omdat zij hem als toekomstig hoogleraar zagen. Dit plan mislukte
omdat hij te jong werd geacht (24 jaar oud). In plaats daarvan werd hij leraar en al snel
hoogleraar aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Omdat hij zich daar niet op
zijn plaats voelde, wilde hij overstappen op de zoölogie. Ook dit mislukte. Aan het eind van 1882 heeft hij dertien treurspelen klaar, tien van de veertien blijspelen en twee of drie van de tien historiespelen; bij elkaar dus 25 à 28 van de 37 spelen. De komende drie jaren besteedt hij onder andere aan het vertalen van de andere stukken en op 9 augustus was hij daarmee klaar. In dat jaar deed hij ook weer twee pogingen om verdere carrière te maken. In de jaren na 1887 hield hij zich nog bezig met het perfectioneren van de vertalingen en de verkoop ervan. In 1899, zijn laatste volle levensjaar, gaf Burgersdijk toestemming aan een goedwillend leraar, Aewerdonk geheten, een eigen toneelbewerking te laten drukken van de Koopman van Venetië. Maar toen hij deze bewerking onder ogen kreeg had hij spijt en wilde hij zijn toestemming intrekken. Ook bij de toneeluitgave van Julius Caesar vlotte de samenwerking tussen uitvoerder en Burgersdijk niet; de uitgifte is nooit tot stand gekomen. Burgersdijk was een man die de kracht en het verlangen had met zijn talenten iets belangrijks tot stand te brengen en, na in diverse richtingen pogingen te hebben zien falen, zich op een gedreven en toch sympathieke wijze een reputatie heeft weten te verwerven die hem letterlijk tot op de dag van vandaag een begrip maakt.
Familie Bussink [Naar Wandelroute] Het bakken van de wereldberoemde Deventer-koek is een oude ambacht. De oudst vermelde genoemde datum over het bereiden en bakken van dit smakelijk gerecht dateert van 1417. Er waren toen reeds beëdigde zeemers en mengers, en ook de bakkers stonden onder ede, zodat zij de gestelde bepalingen zouden nakomen. De koeken moest men tekenen met het teken van Deventer (adelaar). Herhaaldelijk heeft men in vroeger en later tijd getracht ze na te maken, doch tevergeefs. Aanvankelijk bakte men alleen peperkoeken, naderhand ook kruid- en sukadekoeken. Van de eerste soort wordt vooral in het noorden van het land nog gebruik gemaakt. Het zijn de pietermannetjes, die de naam ontlenen aan de firma Pieterman, welke in 1 juli 1975 overgenomen is door de eigenaar (J.A. Coldewey) van de firma Jacob Bussink. Van de vele koekbakkerijen in Deventer is verreweg de grootste die van de firma Jacob Bussink. Op 14 augustus 1820 verkocht Gerrit van der Toorn zijn koekbakkerij De Almansgaarding aan Jacob Bussink banket- & broodbakker wonende te Deventer. De opvolgers van Jacob Bussink zijn B.J. & P.J. Bussink, dan P.J. Bussink alleen, daarna deze samen met J.A. Coldewey, en tenslotte de laatste alleen.
Van Calcar (1759-1838) [Naar Wandelroute] Popko Jans van Calcar, geboren te Groningen op 9 oktober 1759 en gestorven op 23 april 1838 te Deventer. Van Calcar was koopman en suikerraffinadeur in de Noorderbergstraat te Deventer. Hij was lid van de Firma P. van Calcar en M. van Doorninck en Cien., fabrikeurs van "koehaaren" , wollen en katoenen stoffen, later firma P. van Calcar en Cie., Koninklijke Fabriek van Smirnasche en andere tapijten te Deventer. In 1832 werd Van Calcar uitgekocht door Johan Willem Birnie, die hierna eigenaar-directeur werd. Van Calcar was tevens lid van de raad van Deventer.
Familie van de Cop [Naar Wandelroute] Tegen het eind van 1827 werd in Nederland op koninklijk besluit het begraven in de kerken verboden. Toen drie jaar later dit besluit daadwerkelijk in werking trad moest het Deventer stadsbestuur maatregelen nemen. Er werden enkele stukken bouwland aangekocht. In 1831 werd de nieuwe Algemene begraafplaats open gesteld Tot de gene die als eerste een grafruimte op de nieuwe Algemene begraafplaats kocht, behoorde de goud- en zilversmid Jan Willem van de Cop. De familie van de Cop betekende veel voor de bloei van Deventer. Door hun toe doen floreerde de goud en zilverhandel in Deventer en omstreken. De familie van de Cop kocht 3 naast elkaar gelegen ruimten met de bedoeling om een ruime familie graf te kunnen laten maken.
A.J. Duymaer van Twist (1809 - 1887) Twee kwalificaties zijn karakteristiek voor Albertus Jacobus Duymaer van Twist, namelijk die van Deventernaar en van gouverneur-generaal van Nederlands grootste kolonie (de hoogste post die hij in een afwisselende en voorspoedige carrière heeft bereikt). Zijn vader Albertus Jacobus (1775-1820) was hoogleraar, eerst in Deventer en later in
Groningen. Hij trouwde met Judith van Lochen (1776-1833) en ze kregen samen drie zoons en
een dochter, waarvan één jongentje jong was gestorven. De jongste zoon werd geboren op
20 februari 1809 in Deventer en kreeg de naam van vader Albertus Jacobus. In 1829 behaalde Albertus Jacobus zijn kandidaatsexamen aan het Leidse universiteit en
zette daar zijn studie voort. Hij onderbrak in 1831 zijn studietijd om mee te vechten met
het jagerskorps van de Leidse studenten tijdens de Tiendaagse Veldtocht. Met promotie
beëindigde Koos op 20 oktober 1832 zijn studie, waarna hij meteen weer naar Deventer
verhuisde om daar als advocaat bij de rechtbank in dienst te treden. Naast het beroepsmatige werk zette hij zich in voor de stedelijke gemeenschap: als
bestuurslid van het St. Elisabethsgasthuis, lid van de Schoolcommissie en president
commissaris van de Rijn- en IJselstoombootmaatschappij. Hij zette zich vooral in voor
betere verkeersverbindingen met Deventer, om zo de ontwikkeling van de stad te bevorderen.
Tot de beste vrienden van Van Twist behoorde George Isaac Bruce (zie hierboven). Verder
was hij bevriend met W.H. Cost Jordens (1799-1875), rechter, politicus en numismaat,
financieel specialist en grondig kenner van Deventers geschiedenis en tevens lid van de
Tweede Kamer van de Staten-Generaal voor Overijssel. In juli 1843, toen Duymaer van Twist
pas 34 jaar oud was, werd hij door de Overijsselse staten tot lid van de Tweede Kamer
gekozen. Zijn speciale interesse ging uit naar financiële zaken. Van Twist wilde geen
ministerpost, maar bleef liever in de Kamer, waarvan hij in de zitting 1850-1851 de
onpartijdige doch strenge voorzitter was. Belangrijke wetten zijn tot stand gekomen
tijdens zijn voorzitterschap. Kort na nieuwjaar 1851 vertrok Duymaer van Twist uit
Deventer naar Den Haag, waar hij bij Koninklijk Besluit van 22 januari 1851 werd benoemd
tot gouverneur-generaal. In eerste instantie voelde hij zich niet aangetrokken tot deze
functie, maar door aandringen van vrienden , zijn verantwoordelijkheidsgevoel voor de
publieke zaak en na enkele politieke verwikkelingen gaf hij zich gewonnen.
Nicolaas Lambertus Willem Antonie Gravelaar is geboren op 29 november 1851 en plotseling overleden op 18 februari 1913 te Deventer. In 1878 ging hij lesgeven aan de Rijkskweekschool voor onderwijzers te Deventer. Later is hij ook nog directeur geworden van de Rijkskweekschool. Hier heeft hij 34 jaar lang lesgegeven in rekenen en wiskunde. Gravelaar werd hoog geschat als docent en geleerde, maar hij was ook voor iedereen een goede vriend. Als docent moest hij worden gewaardeerd om zijn helderheid en degelijkheid. Hij verstond de kunst, een onderwerp zo aan te vatten, dat het na de les eigendom was geworden van de aandachtige leerlingen. Als geleerde stond hij zeker nog hoger. Gravelaar heeft in ook nog een leerboek geschreven: " Leerboek der Rekenkunde". De 2e en 3e druk hiervan zijn in te zien in de Stads- en Athenaeumbibliotheek te Deventer.
Joost Hiddes Halbertsma (1789 - 1869) Joost Hiddes Halbertsma werd op 23 oktober 1789 te Grouw geboren als zoon van Hidde Halbertsma en Ruurdje Tjallings Binnerts. Hij trouwde op 10 mei 1816 met Johanna Iskje Hoekema uit Workum en stierf op 27 februari 1869 te Deventer. Van 1807 tot 1813 studeerde Halbertsma aan de Doopsgezinden Kweekschool te Amsterdam en
het Athenaeum Illustre, waar hij zich verdiepte in theologie en Noordse talen. In de
periode van 1814 tot 1821 was hij predikant in Bolsward, waar hij al van zich deed
spreken. In 1843 verscheen het enige boek dat direct met zijn ambt van doen had: De
doopsgezinden en hunne herkomst. Dit boek gaat vooral over Halbertsmas
bedenkingen over de toen opkomende orthodoxe stroming en fungeerde als waarschuwing aan
jonge doopsgezinde predikanten. Dit werd niet in dank afgenomen en toen Halbertsma op 12
januari 1856 zijn pensioen aanvroeg, nam de kerkenraad dit verzoek maar al te graag aan en
zo nam hij op 26 oktober 1856 afscheid.
J.F. Hoffman (1813 - 1841) [Naar Wandelroute] Johan Frederik Hoffman werd in Gouda geboren op 13 maart 1813 en was zoon van de Heer
M.F. Hoffman en Mevr. H.F.A. Gronovius. Johan F. Hoffman werd met goede zorg opgevoed.
Vanaf zijn achtste jaar tot en met zijn vijftiende jaar studeerde hij aan het instituut
Noordhei van de heer de Raadt.
G. Korteling (1809 - 1888) De Beoefening van de schilderkunst heeft zich in het geslacht Korteling meer dan
een eeuw voortgezet.
Willem Frederik Kronenberg (1816 - 1892) [Naar Wandelroute] Werd op 17 november 1816 te Deventer geboren uit het huwelijk van Reinier Kronenberg en
van Elechijn Mees. Na het overlijden van de toenmalige directeur J.W. Birnie in maart van het jaar 1848 en
de Deventer tapijtfabriek in een naamloze vennootschap omgezet was, werd W.F. Kronenberg
tot directeur benoemd. Hij had reeds ervaring met de fabriek door voorheen samen met zijn
vader in de wolhandel zaken met ze te hebben gedaan. De statuten van de nieuwe
vennootschap werden op 28 augustus 1848 Door Zijne Majesteit Koning Willem III
bekrachtigd. In de 44 jaren die hij aan het hoofd van de fabriek gestaan heeft, is onder
zijn leiding de fabriek tot grote bloei gekomen en het fabrikaat tot een zeer goede hoogte
opgevoerd. Dit gebeurde vooral na 1850, toen de vraag naar luxe-tapijten en gewone
vloerkleden groter werd. Verder bezat hij een bijzonder gave om zich bij rijk en arm
bemind te maken, hij leefde met zijn mensen mee.
Clarus Anne Cornelis Kruyder werd in april 1825 geboren te Utrecht en de datum van zijn overlijden is rond 28 maart 1910. In 1876 werd bij de behandeling van de Staatsbegroting besloten dat er drie nieuwe kweekscholen zouden komen waarvan er één in Deventer zou komen te staan. Tot één van de leraren van de Rijkskweekschool voor onderwijzers werd C.A.C. Kruyder benoemd, die tot die tijd nog hoofd van een openbare school was te Zwolle. Op 1 september 1880 werd Kruyder benoemd tot directeur van de Rijkskweekschool. Eén van de laatste wensen van Kruyder voor zijn overlijden was dat er niet gesproken werd tijdens zijn begrafenis en deze wens is geëerbiedigd. Leerlingen van de Rijkskweekschool bezochten eenmaal per jaar de graven van hun overleden directeuren. Tijdens één van deze bezoeken zei de heer Th. J. Bosman bij Kruyder zijn graf: "Wij verwijlen eenige ogenblikken bij dit gedenkteeken op uw rustplaats, dat in zijn steenen vastheid en degelijkheid het zinnebeeld mag heeten van de ongerept voortlevende heugenis aan uw persoon. De lauwertak op dit monument symboliseert ook voor hen die u niet kenden, uw welverdiende roem".
Hendrik Rudolf van Marle (1832 - 1906) [Naar Wandelroute] De laatsts burgemeester die geboren en getogen Deventernaar was, was Hendrik Rudo;f van
Marle, burgemeester van 1865 tot 1882. Hij werd geboren op 30 December 1832 en was de zoon
van de Deventer notaris mr. Hendrik Willem van Marle en Carolina Erestina Visser. Hij
trouwde in 1859 met Henrica Judith Werndly (1834-1905) en zij kregen vijf kinderen.
In 1826 kochten H.A. Nederburgh, rechter in Zutphen, en zijn schoonzoon, Johan Laurents Nering Bögel, de ijzergieterij in Deventer. Deze laatste kende het vak, omdat er al een aantal geslachten Nering Bögel ijzergieters waren geweest. Zijn overgrootvader Johan Hendrik Bögel, kwam als eerste met gietijzer in aanraking. Als één van de oprichters van de ijzermolen in het Gelderse Ulft voerde hij daar enige jaren het beleid. De vader van Johan Laurents heeft later ook daarbij een ijzergieterij opgezet in het Duitse Isselburg. Johan Laurents Nering Bögel werd bedrijfsleider in Deventer en pakte de zaken groots aan. Al spoedig, in 1829, kwam er een stoommachine, de eerste in Deventer, en werden luchtpompen in plaats van blaasbalgen bij de ovens geplaatst. Zo werden ook andere moderniseringen uitgevoerd door Johan Laurents. De ijzergieterij werd hierdoor tien jaar na de overname tot de grootste van ons land gerekend. De eigenaars zetten de productie van siergietwerk als hekken, monumenten, lantaarns en kandelaars op naar Duits voorbeeld. In Nederland was Nering Bögel jarenlang de enige producent daarvan. De afzet van het bedrijf bleef niet alleen tot ons land beperkt, want ook in Nederlands-Indië kreeg Nering Bögel voet aan de grond. De vele contacten tussen Deventer en dat rijksdeel hebben daarbij zeker een rol gespeeld. Rond de eeuwwisseling produceerde men naast potten, dakgoten, papiercilinders, hydraulische persen, roosterstaven, spoorwielen en wissels ook stoommachines, papiermachines en strokokers voor de kartonfabricage. Daarnaast bleef het sierwerk in de productie. Het belangrijkste voorbeeld in Deventer is de Wilhelminafontein op de Brink uit 1898. Na 1900 ging het aanvankelijk nog erg goed met het tot N.V. Deventer IJzergieterij en Machinefabriek omgedoopte bedrijf. Helaas ging het tijdens de crisisjaren achteruit en in 1932 moest het bedrijf zijn deuren definitief sluiten. De familie Nering Bögel Johan Hendrik (eerste helft 18e eeuw)
Gerard Overesch (1787-1843) [Naar Wandelroute] Gerard Overesch werd op 26 maart 1787 te Raalte geboren uit een talrijk gezin en overleed op 18 december 1843 te Deventer. Op zijn twintigste jaar besloot hij priester te worden en maakte daarvoor zijn studies te Vreden en kwam 26 september 1812 op het seminarie te s-Heerenberg. Nadat hij daar met groot succes zijn theologische studiën had volbracht, werd hij als kapelaan naar Deventer gezonden. Maar al het volgende jaar werd hij tot het hoogleraarsambt in de dogmatische theologie aan het seminarie te s-Heerenberg geroepen. Zijn duidelijkheid en grondigheid van onderwijs werd geprezen en het is ten onrechte, dat hij van rationalisme werd beschuldigd. Door de dreigende sluiting door de regering van de seminaries, werden de professoren bij opkomende parochies reeds als pastoor benoemd. Zo werd ook Overesch na de dood van pastoor Muller benoemd tot pastoor te Deventer. Maar voorlopig nam een deservitor zijn plaats in Deventer in, zodat de lessen aan het seminarie door konden gaan. In september 1828 werd het seminarie gesloten. Ongeveer midden 1829 kwam Overesch naar Deventer, waar hij spoedig bij zijn parochianen in hoog aanzienstond wegens zijn medeleven in alles en om zijn grote goedaardigheid. Hij stichtte hier een inrichting voor wezen.
Christoph Friedrich Stellwag (1845 - 1906) Christoph Friedrich werd op 6 september 1845 geboren in Deventer en overleed daar op 3 januari 1906. Hij werd Luthers predikant te Doetinchem op 12 maart 1871, te Weesp op 9 mei 1875, te Leeuwarden op 7 januari 1883 en te Deventer op 2 mei 1886. Hij schreef in Stemmen uit de Lutherse kerk in Nederland V, 139-158 en 216-229: De geschiedenis van de Stichting van de Lutherse gemeente te Deventer, en gaf uit: Feestrede, uitgesproken bij de gedachtenisviering van het 250-jarig bestaan van de Evangelische Lutherse gemeente Deventer op 16 juli 1899.
Arnold Jan Bernard van Suchtelen van de Haare (1770 - 1849)
A.J.B. van Suchtelen trouwde op 22 september 1793 in Den Haag met Antonia Henrietta van Buren. Zij overleed daar echter op 4 januari 1795. Hij trad op 10 juli 1796 opnieuw in het huwelijk met Maria Sara van Oyen. Maria Sara overleed op 24 mei 1826 op huis de Haere in Olst. Zij kregen samen 12 kinderen. In 1792 werd Van Suchtelen voor het eerst gemeenslid van de Assenstraat in Deventer. Na zijn ontslag als burgemeester van Deventer gingen twee zaken het leven van Van Suchtelen beheersen. De ene zaak was een ruzie met de gouverneur van Overijssel, die hem van onbehoorlijk bestuur betichtte. De andere zaak was het probleem om voor zichzelf een geschikte bestuursfunctie te vinden. Bovendien voelde Van Suchtelen zich verantwoordelijk voor de niet zo voorspoedig lopende carrières van zijn zonen. Hij probeerde promoties van zijn kinderen te krijgen door de hoogste kringen te benaderen. Tussen de gouverneur van Overijssel, graaf B.H. Bentinck tot Buckhorst en Van Suchtelen
ontstond tussen 1829-1830 een hooglopende ruzie. A.J.B. van Suchtelen voelde zich door
Bentinck in zijn eer en goede naam aangetast en wendde zich tot koning Willem I voor
genoegdoening, die hij ook kreeg op 11 mei 1830. Zijn eigen afwijzingen plus de tegenwerkingen die zijn zonen volgens hem in hun
carrières ondervonden, zag Van Suchtelen als een complot tegen zijn familie. Zijn
voortdurend klagen leidde uiteindelijk tot bevorderingen van zijn zonen.
Johanna
en Derkje Wilhelmina de Weerd (1802-1863 en 1807-1879) Johanna de Weerd is op 25 maart 1802 geboren te Deventer en ook daar gestorven op 3 juni 1863. Derkje Wilhelmina de Weerd is geboren te Deventer op 2 september 1807 en te Deventer gestorven op 19 november 1879. Ze waren de dochters van Willem de Weerd en Hendrina van Marle. In 1863 werd het aantal liefdadigheidsinstellingen vermeerderd met Het De Weerds-Gesticht, gelegen op Pothoofd nummer 7. Dit kwam tot stand door de beschikking van de gezusters De Weerd. In 1881 werd een geheel nieuwe gebouw op het Pothoofd opgericht en de organisatie definitief geregeld. Het gebouw werd echter op 26 november 1944 gebombardeerd. In de loop van de jaren 1882 werd het geheel bezet; 24 éénlopende personen en echtparen vinden er onderkomen. Het gesticht is bestemd tot het verlenen van huisvesting aan behoeftige en bejaarde schippers met hun vrouwen of schippersweduwen. Onder schippers worden ook vooral zeelieden verstaan. Bij gebreke hiervan of waneer aangemelden niet in aanmerking konden komen voor plaatsing, werden ook behoeftige sjouwerlieden of zogenaamde rivierloodsen met hun vrouwen of weduwen opgenomen. De te plaatsen personen mochten geen kinderen tot hun last hebben en niet behoren tot de Israëlitische gezindte of kerkgenootschap horen. Om voor plaatsing in aanmerking te komen moest de aanvrager voldoen aan de volgende voorwaarden: 1. Men moest minstens 62 jaar zijn, 2. Van goed zedelijk gedrag zijn, 3. Behoorlijk voorzien zijn van huisraad en beddegoed, 4. Zich zindelijk en behoorlijk kleden en 5. Per persoon een bedrag van f 15,- betalen aan entreegeld. Men kreeg dan de beschikking over een vrije woning, f 4,- per week voor man en vrouw samen en f 3,- voor een man of vrouw alleen.
Werle & Zoon [Naar Wandelroute] Groothandel in staf- en plaatijzer, gaspijpen en fittings, metalen, ijzerwaren, machines en sanitaire artikelen. De onderneming werd gevestigd op 21 januari 1826 en is dus één van de oudste op haar gebied. De firma droeg toen de naam J.S. Werle en werd beheerd door de zoon van J.S. Werle, J.H. Werle (geboren te Rotterdam op 17 augustus 1809 en overleden te Deventer op 25 november 1883). Op 1 januari 1861 werd door J.H. Werle en diens zoon J.S. Werle (geboren te Rotterdam op 13 augustus 1837) een vennootschap aangegaan onder de naam fa. Werle & Zoon. Bij onderhandse akte van 12 april 1871 werd deze vennootschap ontbonden en werd de onderneming alleen door J.S. Werle voortgezet. Deze overleed in Deventer op 20 oktober 1906 en de zaak ging toen over op diens zoon W. Werle (geboren te Deventer op 15 april 1876). Op 1 januari 1930 werd de zaak omgezet in een commanditaire vennootschap, waarvan W. Werle commanditair- en zijn zoon J.S. Werle (geboren op 8 juli 1902) beherend vennoot werd. De magazijnen bevonden zich bij oprichting in de Mensstraat, terwijl men later naar de Rijkmanstraat is overgegaan, waar toen diverse pakhuizen aan de Haven en Achter-de-Muren aan toegevoegd werden. Tevens was er gedurende enige jaren een filiaal te Duisberg. In 1890, bij de ontmanteling van de vesting Deventer, werden op de plaats van de vroegere wallen de nieuwe magazijnen gebouwd (Handelskade), terwijl door voortdurende uitbreiding van zaken in 1908, 1913 en 1931 verbouwingen noodzakelijk bleken. Speciaal door de laatste aanwinst in magazijnruimte, werd de firma in staat gesteld het aantal van haar artikelen aanzienlijk uit te breiden, zodat zij met de eerste firmas op haar gebied kon wedijveren.
|